Geschiedenis van het dorp

Skuzum, Doarpke tusken sé en marren

Bauke Kamstra

Als ik over Skuzum denk en ik doe mijn ogen dicht dan zie ik het dorpje dromend liggen achter de hoge landbouwgronden, de mensen ijverig bezig met planten, zaaien en oogsten. De ‘hynders en weinen’, die de beide ‘reeden‘ op en afrijden. De vrouwen bezig op hun ‘hiemen’. De Piamer kinderen die uit school huiswaarts gaan en zich als een lint door de velden bewegen. Of, kijkend vanaf mijn vaders kwekerij in Makkum: grote bewegende zwarte wolken boven Skuzum, die niets anders zijn dan duizenden en nog eens duizenden spreeuwen boven de eendekooien van Koelhuizen.

Of zoals dominee  Noordmans de rust rondom het dorp zo prachtig beschreef als hij het heeft over de vogels: "De kievit, die, één en al vleugel, in mateloze vreugde over deze mogelijkheid, in giervlucht en duikvlucht voor Gods aangezicht de deugd probeerde van het uitspansel. En de leeuwerik, zich beitelend in het blauw des hemels zijn trap. klimmende en het 'lied der trappen' zingende tot de top. Hoe vol eerbied is de herinnering aan de zwaluw en haar heilig gastrecht, dat onder Gods bijzondere bescherming stond."

We hebben nu al een aantal heel mooie ontboezemingen gehoord: stilte, rust, vrede. Schilderachtig, zo werd het gezien. Zou het nog zo zijn? Maar eerst duiken we in de geschiedenis.

Geschiedenis van het dorp

Skuzum is niet los te denken van het Skûsterveld en dan denk ik vooral aan de tijd, toen het nog landbouwgrond was, toen de tarwe er met volle korrels wiegend in de wind stond te bewegen. Toen de overal gewaardeerde ‘pûr-bèste’ aardappels er met karvollen weggesleept werden. Hoe kwam de hoge smalle vruchtbare strook land daar? En hoe kwam het dat die strook er ook was achter de zeedijk van Gaast tot aan Cornwerd toe? Natuurlijk heeft dit te maken gehad met een stroom die jaren of eeuwen lang op een plaats liep, evenwijdig met de huidige Friese zeedijk. Dit was het Vlie, die vanuit het Flevomeer en vooral door het water van de IJssel een brede stroom vormde.

Zoals uit het kaartje blijkt, was er ook aan de andere kant ‘land’, zodat hij zich als het ware een weg naar zee perste. Ook nog rekening houdend met de getijden die vrij invloed hadden is het begrijpelijk, dat zich in de nabijheid van het stroomgebied hoge oeverwallen vormden, die de latere hoge zavelgronden werden.

Natuurlijk heeft het Vlie ook haar zijrivieren en kleine kreken gekend. Aan één van deze kreken hebben omstreeks het begin van onze jaartelling een aantal mensen de Skûster terp aangelegd. Bewijzen hiervoor zijn de vondsten van twee amuletten. Eén nabij de zeedijk te Piaam, gedateerd in de tweede eeuw na Christus, en een amulet gevonden in de terp bij het dorp Idsegahuizen uit dezelfde tijd. Op de laatste stonden de woorden Terra-Sigillata.

Er woonden toen dus al mensen en ze deden er hun werk. Omdat er nog geen dijken waren was het erg riskant, maar hun terp en de hoge grond westwaarts heeft hen een veilig gevoel gegeven en aangenomen mag worden dat, gezien het grondgebied dat het dorp later toebedeeld kreeg, het toch betrekkelijk welvarend geweest moet zijn. De grens liep zelfs tot aan de boerderij Altena's op de kromming van de Grote Zijlroede bij Makkum. Ook de latere bekende molens aan de Kleine Zijlroede stonden op het grondgebied van Skuzum.

Het dorp wordt genoemd in een zogenaamd vredesakkoord, genaamd Wilkerren fan Wildinghe, waarbij de inwoners uitspreken dat ze vrede en rust willen. Ons Skuzum heet dan Idsingahusum.

Maar het blijft geen vrede. In Friesland zijn de gevechten tussen Schieringers en Vetkopers. Als er in 1500 een opstand is tegen het bewind van Heinrich van Saksen doen ook inwoners van Skuzum mee om de dwingeland te verjagen. De omstreken van Makkum, waaronder dus ook Skuzum, zijn lang bezet geweest door de Spanjaarden. Omdat men bang was voor aanvallen van de Watergeuzen via de Zuiderzee, moesten de dorpen mankracht en paarden leveren voor wachtlopen op de zeedijken. De dorpsrechters (daar kom ik later op terug) moesten toezicht houden. Omstreeks 1580 worden de Spanjaarden verjaagd, en pas dan is de tijd van plundering en brandstichting door vreemd soldatenvolk ten einde en kunnen we spreken over een periode van vrede.

De grootste vijand blijft het water en elk dorp in de gemeente Wonseradeel krijgt een bepaald vak toegewezen wat men moet onderhouden. Weer zijn het de dorpsrechters die toezicht moeten houden. Tijdens de dijkverhogingen van 1530 en 1570 zijn de dijkvaarten (ook wel zoodvaarten) gegraven. We zien overal, vooral tussen Makkum en de Skuustertille, dat er een stuk laagland is tussen de dijkvaart en de hogere landbouwgronden, waardoor het bewijs geleverd is dat hier grond voor dijkverhoging is weggehaald.

Hoewel Makkum in de aanloop van de Franse tijd erg roerig was vanwege patriotten en prinsgezinden, lezen we hierover niets bij Skuzum. Ook de roerige tijden over kerkelijke en schoolkwesties schijnt aan Skuzum voorbij te gaan, maar natuurlijk gebeurde er wel iets.

Aan de voet van de dijk

En dan zijn we aangeland bij Sjirk van de Burg, notaris te Makkum, die Skuzum omstreeks 1900 zo mooi literair beschrijft. "Buiten Makkum, over de sluisbrug, de Zuiderzeedijk of Workummerdijk een eindje langs, ligt aan de voet van de dijk een lijnbaan. Op de huidige dag, o vredig beeld uit vervlogen tijden, dat onze draaiende en vliegende eeuw ons nog gelaten heeft, op de huidige dag nog draait daar het wiel, nog naar de oude trant, en ziet men daar de touwslager achteruitloopen op het smalle pad langs de dijkvaart. Een eindje verder, halfweg Piaam, ligt hoog boven de vaart de Skûstertille (een hooge, smalle brug)."

"Over die tille Ioopt een grindweg, langs een wetering, door het bouwland, het zoogenaamde Skûsterfjild, naar het stille en vreedzame dorpje Skuzum, dat daar in zijn vriendelijke omgeving rustig ligt en mooi, als ware het een schilderstuk. Wie daar in vroeger jaren stond, bij de lijnbaan, op de kruin van de oude zeedijk, zag aan zijn rechterhand de Zuiderzee, vlakbij, achter de dijkpalen een groen veld, dat verder op naar het Westen afliep in de zee, een deinende watervlakte; vlak voor hem uit het veld, bouw en weiland, met vriendelijke torentjes, boerderijen en watermolens; en in de verte het geboomte van de eendekooien van Kooihuizen; terwijl aan de linkerzijde, door het hele Oosten heen de blanke Makkumer en Parregaster meren lagen, aan weerszijden van de vernauwing het Jakkeleveer."

"Naar deze landouwe, die strook grond tusschen zee en meer, zou ik u in verbeelding willen heenvoeren en dan een goede honderd jaren terug."

Skuzum tijdens mijn jongensjaren 1935-1938

Mijn jongste herinnering aan Skuzum is een wandeling ‘Skuzum om’ met mijn moeder, tante Maaike en enkele van mijn broers. We begonnen aan de Makkumer Leane en via de Makkumer Mar door Skuzum terug naar Makkum. Toch een wandeling van ongeveer vijf kilometer. Het was in de zomer van 1937, het was zeer warm en we hadden verschrikkelijke dorst. Maar geen nood. In het dorp woonde een zwager van tante Jeltje, namelijk Douwe Wieling, en daar belden we aan.

We kregen heerlijk water uit de ‘reinwettersbak’ en speelden nog even met de kinderen. De vrouw bleef me bij als zeer mager en zwak. Later hoorden we dat ze overleden was. Hoe klein ik ook was, het schokte me .... die kinderen waar we mee gespeeld hadden, hadden geen moeder meer. Ik ga er wat dieper op in, omdat daardoor ons beeld wat meer op Skuzum gericht werd. Van de zes kinderen van Douwe Wieling bleven de drie oudsten, Appie, Wiebe en Pim, bij hun vader, die een huishoudster nam. Klaske kwam bij de familie Beukema in Berlikum, Jellie bij Jan Wieling in Makkum, die boven onze winkel woonde, en Marie-Anneke (Rianneke) kwam bij het toen nog kinderloze echtpaar van meester en juffrouw Van de Velde.

Hierdoor kwamen wij in contact met veel Skûsters zoals Piet Wieling, Wiebe Wieling met zijn huishoudster Berber, Griet Walstra, natuurlijk Douwe Wieling zelf met zijn latere vrouw Matje Been en de broers en zusjes van Jellie. Helaas belandde Douwe Wieling in de oorlog in een concentratiekamp. Hij kwam er nog wel uit terug, maar is in de nazomer van 1945 overleden. Appie en Wiebe emigreerden naar Canada, maar tragisch liep het af met Pim. Als zestienjarige jongen ging hij als knecht op een vrachtboot. Op de eerste de beste vaart in de zomer wilde hij even zwemmen. Hij dook .... en kwam niet meer boven. Ik herinner me de rouwdienst in het kleine kerkje van Skuzum als de dag van gisteren. De dienst werd geleid door meester Van de Velde. Hij vertelde van Pim toen hij klein was en naar het graf van zijn moeder ging en tegen haar praatte.

Dit was in het kort de geschiedenis van een gezin in een klein dorp. Hoe tragisch ook, maar toch ...., toch zijn Jellie, Klaske en Rianneke tot een grote zegen geweest in de kinderloze gezinnen van Jan Wieling, familie Beukema en meester Van de Velde.

Het Skûsterfjild

Skuzum dat was voor ons eigenlijk het Skûsterfjild. Vader vertelde erover dat pake er land had en dat ze er met de hondekar naar toe gingen. Vader zat dan op de hondekar en pake reed er op de fiets achteraan. Bij de Skûstertille deed pake het hek open, de honden gingen erdoor. Dan even wachten, maar zodra de honden de klik hoorden gingen ze er vandoor. Toen mijn vader alleen was en na het doorlaten van de hondekar het hek dicht deed, stoven de honden als een raket weg. De honden wisten de weg.

Pake had land aan de Makkumer kant, maar toen ze links af moesten namen ze de bocht te kort en belandden met de hele santemekraam in de sloot. Op het Skûsterfjild had pake het zicht op z'n huis aan de Zijlroede. Omdat hij dorpsomroeper was en deze inkomsten niet wilde missen, moest er een teken gegeven worden. Als dan ook aan de Grote Zijlroede een vlag verscheen, wist hij dat hij direct thuis moest komen.

Het Skûsterfjild was vruchtbare grond, er kwamen prima aardappelen vandaan die in de herfst vaak in Makkum werden verkocht als wintervoorraad. Ook bloemkool deed het er prima. Mijn vader deed vaak zaken met Jan Hiemstra. Op een perceel kooIzaad of vroege aardappelen plantte en bewerkte hij bloemkool of andere koolsoorten In de herfst werd er geoogst en de opbrengst werd gedeeld. Jan Hiemstra en z'n jongens waren zeer goede ploegers, ze zijn dan ook vaak met de paarden bij ons geweest om vaders land te ploegen.

De oorlogsjaren

Via de televisie-uitzending van Omrop Fryslân kwamen we aan de weet dat soldaat Braam in de nacht van 9 op 10 mei 1940 wacht had gelopen bij een boerderij in Skuzum. Er zal wel weinig strategisch belang bij geweest zijn, maar dat was militair geheim. Verder vertelde mijn vader dat toen hij op zaterdag 11 mei 1940 op wacht stond bij de Aaltjebrug in de Mar, Sikke Anema de brug wilde passeren. Mijn vader had echter consignes dat er niemand door mocht. Sikke Anema, een driftig mannetje, trachtte toen mijn vader te intimideren. De bajonet moest er aan te pas komen. Het was oorlogstijd en bevel was bevel. Een dag later sneuvelde de zoon van Sikke Anema, sergeant Wiebe Anema, te Wons en dat heeft in het dorpje diepe sporen achtergelaten.

Ook is bekend dat meester Van de Velde boos werd op een aantal meisjes, die met een paar Duitsers in Piaam stonden te praten. De Duitsers pikten dat niet en namen meester Van de Velde gevangen (augustus 1944). Dominee Touwen, gereformeerd predikant te Makkum, is toen naar Leeuwarden afgereisd om zijn vriend vrij te krijgen. Meester Van de Velde kwam vrij, maar dominee Touwen kwam nooit meer terug. Deze organisator voor het overbrengen van honderden Joodse kinderen naar Friesland werd twee weken later te Vries (Drenthe) gefusilleerd.

Verder mag gememoreerd worden het ‘weeteskien’, dat we enkele zomers midden in de oorlog deden op het Skûsterfjild. In drommen gingen we gewapend met een kussensloop naar het Skûsterfjild en kwamen (na veel gezang tijdens het zoeken) toch met behoorlijk gevulde zakken thuis. Daar gingen we het zelf ‘teskien’ en ziften en wij hadden 's zondags een heerlijke Skûster weetbólle. Ook zijn we in de oorlogsjaren naar Skuzum gegaan om klompen te kopen, maar helaas, Canrinus verkocht alleen aan dorpsgenoten.

En dan nog het melkhalen bij de boeren. Mijn oudste broer fietste elke dag naar Skuzum en mocht twee flessen melk halen bij Sikke Anema en twee bij Tjipke Visser. Natuurlijk zijn er onderduikers en evacuées in Skuzum geweest, maar of er mensen van de Ondergrondse geweest zijn weet ik niet. Wel is bekend dat op de beruchte zevende april 1945 te Makkum de S.D. in Skuzum is geweest om Schrale op te halen, maar deze was gelukkig niet thuis.

Skuzum was eerder bevrijd dan Makkum. Bekend is de vlucht van Jelle van Heert met zijn gezin dwars door de weilanden van de Grote Zijlroede naar Skuzum. Ook dat er op de hoek bij Akke Polder een mortierinstallatie stond, die van daaruit Makkum bestookte. De Canadezen, met de Ondergrondse als gids, kwamen o.a. via het Great Hôf en de weilanden naar Makkum. Skuzum moet nogal wat gezien hebben van het gevecht om de bevrijding van Makkum.

De jaren na de oorlog

De eerste jaren waren voor mij de belangrijkste. Met nog een aantal andere Makkumer jongens -- en soms meisjes -- gingen we op de fiets naar de MULO in Bolsward. Mede lettend op de wind, waarbij we rekening hielden met de luwte van de zeedijk, trokken we vaak door Skuzum. Op de Skûstertille stonden Gepke Draaisma en Rimkje Feenstra meestal te wachten op Anneke (van Gosse) de Boer.

Begrijpelijk maakten we het hele seizoen door. Het koolzaad, het poten, zaaien en planten in het voorjaar. Het even de weilanden inwippen om eieren te zoeken. De aardappelvelden en het rijpend graan en...., o wee, de oogsttijd in de herfst. De boerenwagens gingen dan tot de assen door de drek. Maar het ergste was dat ze het meenamen naar Skuzum. Ook lagen er dan veel bietebladeren. De structuur van de weg was van dien aard, dat het middengedeelte over een breedte van vijftig centimeter hoog lag en dan schuin afliep naar de beide kanten. We moesten dan ook zeer voorzichtig fietsen, anders lag je zo op de grond. Men bedenke dat we in de beginjaren nog geen luchtbanden, maar cushion banden hadden. Een van mijn vrienden, Thijs Bruinsma, had een reep autoband om zijn wielen. Als hij een bocht te scherp nam, reed hij op de velg en gleed zomaar weg. Wij waren echter ware acrobaten op de fiets en dat was nodig ook, getuige het volgende voorval.

Op weg naar Skuzum vanaf de Skûstertille aan de rechterkant, was een schuur, eigendom van de Louwsma's. Deze jongens hadden een bruinzwarte hond, die erg agressief was en naar het ons voorkwam, door de jongens werd opgehitst. Van verre kwam hij ons tegemoet en begon tegen ons te blaffen en te happen. Wij konden hem goed van ons af houden en soms lukte het ons hem een mep te verkopen. Maar toen gebeurde het: we kwamen vanaf Bolsward en haalden een ‘hienderwein’ in, die van de Louwsma's bleek te zijn. Terwijl we ter hoogte van de wagen waren, schoot ineens de hond als een raket te voorschijn en kreeg Jan van der Hoop te pakken. De Louwsma's voorkwamen erger, maar het kwaad was geschied. Jan's vader, die loodgieter was, construeerde een spijker in de kop van de klomp om op die manier wraak te nemen, maar het lukte hem niet. De hond kwam aan de ketting en Jan werd MULO-ganger af.

Vermeldenswaard is ook nog de geitenfokvereniging De Arbeiderskoe in Skuzum. Ik weet me te herinneren dat mijn broer zo'n geit had. Op een bepaald moment toog hij met de geit naar Skuzum, om zo het volgende jaar weer verzekerd te zijn van jonge geitjes.

Een facet uit die tijd, welke ik nog wil memoreren, is de Skûstertille. In die tijd werd de zeedijk 's zomers beweid door koeien en die moesten op de zeedijk blijven. Zowel aan de Makkumer kant als aan de weg naar Skuzum waren hekken geplaatst. Soms gingen mannen of jongens bij de hekken staan en kregen voor het openen een fooitje (één cent). In onze MULO-jaren stond Doeke Visser, een Makkumer dorpstype, vaak bij het hek. Wij jongens hadden nooit een cent bij de hand en namen er zelfs de tijd niet voor. Doeke ging zijn beklag doen bij mijn vader, maar er waren zes jongens en Doeke kende ons niet bij de naam. Maar luistert u naar zijn komische aanduiding: "Jongen, van jouw schoolmeester nooit cent van..."

Na de MULO-jaren ben ik nog een keer op een Skûster koninginnefeest geweest en ik herinner me dat als onderdeel van de volksspelen de mannen moesten breien, en dat één der mannnen het bolletje garen achter het oor had. In 1952 heb ik Makkum verlaten. Toen was het Skûsterfjild nog Skûsterfjild. Als ik nu in Makkum ben is er nog één mooie wandeling: dat is vanaf de Leugenbolle de zeedijk om naar de Kerkeburen. Maar de andere kant, de haven, de sankop, Genee zijn land, Houtmolen . weg. En het Skûsterfjild . Weg, weg, weg. Allemaal weiland, geen harde werkers, geen koolzaad, geen wuivend graan .... doods is het.

Skuzum heeft zijn hart verloren en zal alleen door te vechten voor de gemeenschapszin zijn eigen identiteit kunnen bewaren.

Geraadpleegde literatuur

A.Algra: De doarpen

P.S.de Boer: De doleantie te Makkum

Ir J.Cnossen: De bodem van Wonseradeel

Mr H.T.Obreen: Makkum en de westkust van Friesland

H.Oldenhof: De Skiednis van de griteny

G.J.Paul: Schepping en Koninkrijk, een studie over de theologie van dr. O.Noordmans

R.S.Roarda: Ir Sint-Anna Lien to Hidaerd

Drs R.Steensma: Geastlik libben yn Wunseradiel