It wite wiif fan de Waed

It wite wiif fan de Waed

Beroemd is de sage van ‘It wite wiif fan de Waed’, die zich grotendeels afspeelt rondom Skûzum. Het verhaal is een prachtige beschrijving van het boerenleven van vroeger. De navolgende versie maakt deel uit van ‘Twa Fryske Segen’, die zijn geschreven door notaris Sjirk van de Burg en verschenen in de Katholieke Illustratie van 23 mei 1934.

Hoe komt Van de Burg ertoe om het verhaal deels in Skûzum en deels bij de dijk van Piaam te laten spelen? Ik heb daar een verklaring voor. Het gaat over een dansende witte verschijning. Er moet dus zoiets geweest zijn .... en dan denk ik aan het natuurverschijnsel van het Sint-Elmusvuur. Het Sint Elmusvuur is een onschuldige elektrische glimontlading, die zich bij voorkeur voordoet aan uitstekende voorwerpen zoals masten en hekken.

Maar denk in dit verhaal maar aan de molenwieken van de vier Makkumer molens, het paalwerk van de zeedijk en soms op de koppen der golven. Inderdaad leverde het Sint Elmusvuur een zeer mooi schouwspel op aan draaiende molenwieken, dan konden de lichtstralen enkele centimeters lang worden.

Sjirk van de Burg laat het verhaal beginnen in de Leugenbolle in Makkum. Vanuit de Leugenbolle kon je de vier molens zien en in het verlengde daarvan de toren van Skûzum. Keek je recht vooruit, dan zag je het paalwerk tot de bocht van Piaam. En keek je rechts, dan zag je de Zuiderzee met z'n golven. Zo moet Van de Burg het gezien hebben. Dansende vlammen op de molenwieken, het paalwerk bij Piaam en de golven van de Zuiderzee. Zo is het verhaal ontstaan.

Bauke Kamstra

De Sage van ‘Het Witte Wijf van het wad’

Zijt ge wel eens in Makkum geweest, waar bij de sluis de oude herberg De Prins staat, en achter die herberg aan de zeekant de leugenbank en de vischbank, en hebt ge daar in de leugenbank de bijeenkomst van alle dagen eens meegemaakt en dan goed geluisterd naar alles wat daar verteld wordt over oud en nieuw?

Eén tijdlang was ik een trouw bezoeker van deze ‘dorpsbeurs’ in en voor de leugenbank of tegen de muur van de smederij, daar kort bij, en was er onder het gehoor van deze oude praatvaars. Allerlei verhalen, malle en mooie, werden daar ten beste gegeven. De eene vreemde geschiedenis bracht dan vaak de andere naar voren. En of er nu bijgeval eens opgesneden werd, och, dat hinderde daar in den regel niemendal.

Vooral een wonderbaarlijk zeewijf in 't wit, dat daar dichtbij achter de steenen dijk op het wad en soms ook langs de Zuiderzeedijk rondwaarde, was dikwijls het onderwerp van een ernstig gesprek. Dan hoorde men geen enkel grof woord, dan was er bij iedereen eerbiedige aandacht. Aan dat verhaal werd niet getwijfeld, de waarheid er van was buiten kijf.

Zoo mocht ik daar aan ons westerstrand uit de verhalen van de oude varenslui de Friesche volkssage van ‘Het Witte Wijf van het Wad’ opvangen, die ik hieronder in zijn geheel wil oververtellen.

Er zijn wel meer wijven en witte wijven hier en daar, maar in dit geval is er alleen sprake van wat er, naar het zeggen van de ‘ouden’, waar is van, en samenhangt met ‘Het Witte Wijf van het Wad’ of, zooals zij ook wel genoemd wordt ‘Het Zeewijf van de Zuiderdijk’.

Buiten Makkum, over de sluisbrug, de Zuiderzeedijk of Workummerdijk een eindje langs, ligt aan de voet van de dijk een lijnbaan. Op de huidige dag, o vredig beeld uit vervlogen tijden, dat onze draaiende en vliegende eeuw ons nog gelaten heeft, op de huidige dag nog draait daar het wiel, nog naar de oude trant, en ziet men daar de touwslager achteruitloopen op het smalle pad langs de dijkvaart. Een eindje verder, halfweg Piaam, ligt hoog boven de vaart de ‘Skûstertille’, een hooge, smalle brug. Over die tille loopt een grindweg, langs een wetering, door het bouwland, het zoogenaamde Skûsterveld — naar het stille en vreedzame dorpje Skûzum, dat daar in zijn vriendelijke omgeving rustig ligt en mooi, als ware het een schilderstuk.

Wie daar in vroeger jaren stond, bij de lijnbaan, op de kruin van de oude zeedijk, zag aan zijn rechterhand de Zuiderzee, vlakbij, achter de dijkpalen een groen veld, dat verder op naar het Westen afliep in de zee, een deinende watervlakte; vlak voor hem uit het veld, bouw en weiland, met vriendelijke torentjes, boerderijen en watermolens en in de verte het geboomte van de eendekooien van Kooihuizen, terwijl aan de linkerzijde, door het heele Oosten heen de blanke Makkumer en Parregaster meren lagen aan weerszijden van de vernauwing het Jakkeleveer.

Naar deze landouwe, die strook grond tusschen zee en meer, zou ik u in verbeelding willen heenvoeren en dan een goede honderd jaren terug. Want in deze streken, zegt men, heeft het Witte Wijf zich vaak vertoond. Boven op de zeedijk, dicht bij de Skûstertille en het Piamermolentje, daar hebben sommigen haar wel zien rondwaren, op stormachtige avonden. Alleen dan is ze op het pad. Haar lang, lichtblond haar wappert op haar rug, het witte gewaad fladdert haar wijduit om de leden en ze heeft ongewoon groote zeelaarzen aan.

Als iemand, die er meer van wil weten, haar nader komt, zweeft ze doorgaans weg, meestal langzaam over de paalwering, het Wad over en de zee in, om daar in de verte, in den grijzen, killen mist, geheel voor het oog te verdwijnen. Zooals de maan blijft ook zij altijd even ver weg van de nieuwsgierige menschen, zeggen de sluiswachter en andere wijze lieden die het maar heel secuur weten.

Het mag vreemd lijken, maar er wordt met het bestaan van het Witte Wijf wel degelijk rekening gehouden, tot op de huidige dag toe. De strandjutters bijvoorbeeld zullen er zich wel voor wachten om strandgoed, dat in de kring van het Witte Wijf opgevischt werd, niet eerlijk op te brengen. En die kring beslaat wel het wad van het Zuricheroord tot Kromharne bij de Gaasterinleggers toe. Zij houdt het oog op wat de zee daar aanbrengt en zij laat zich niet gemakkelijk beetnemen. Wie het ooit waagde om andermans goed te benaderen tot eigen profijt, die zal ondervinden, dat hij daarvoor zeker wordt gestraft en .... naar de maat van zijn misdaad. Als iemand het durft bestaan, ook maar in geringe mate oneerlijk te wezen, zij maakt hem vroeg of laat te schande. Dat is zoo zeker als eb en vloed. Bewijzen daarvoor zijn er te over.

Menig visscher heeft het water bedorven en troebel gevonden als hij wilde visschen. Vogelschieters hebben vaak ineens een mist zien opkomen als zij de rotgans of de duiker al bijna onder schot hadden en sommige lieden, die wat ernstigers op hun kerfstok bleken te hebben, zijn met hun vletten onverhoeds op het strand of in de leije geworpen. Dit alles is naar de volksmeening het werk geweest van het Witte Wijf. Zij houdt steeds weer rechtdag en straft de ondeugd en het kwaad. En het is waar, er valt van dit Witte Wijf nog veel meer moois en wonderbaarlijks te verhalen.

Of wat hieronder verhaald wordt ook allemaal net zoo is voorgevallen, daar wil ik van wezen. De geschiedenis is daarvoor wel heel lang geleden. Evenwel, die haar het laatste vertelt, leeft nog en mij dunkt, die haar geloven en voor waar aannemen wil, die moet dat doen op eigen risico.

Daar stond, in vroeger tijden niet ver van den Koudemeerswal, op een hoogte, in de hoornen, een oude én vervallen boerderij. Het was een laag schuurtje achter een eenvoudig woonhuis met hooge gevel en een afloopend dak aan de eene zijde. De voorkamer met een uitgesleten vloer was laag onder de balken. Tegen de gevelmuur was een groote schoorsteen en aan weerskanten daarvan waren als een paar uilenoogen vensters aangebracht, met blinden op halve hoogte en ruitjes, kleine, verweerde ruitjes in lood. Daar tegenover de slaapplaatsen, twee hooge bedsteden achter groene gordijntjes en daar tusschen in een porceleinkast. De muren waren ter halver manshoogte met witte en bonte tegeltjes afgezet en daarboven geel geokerd. Op de steenen van de haard onder de groote mantel was aan elke haardhoek een wijnrank met engelen en daar tusschenin, boven het haardijzer, De Wonderbare Vischvangst geschilderd. Op de richel boven de bedden stonden blauwe borden met spreuken te pronk en achter de glazen deuren van de porceleinkast gekleurd porcelein en glasgerei.

Een oude, lage kast met snijwerk, een heiligenplaat met Abrahams offerande in lijst, de stoeltjesklok, de klaptafel en zes knopstoelen, een kabinet en een spinnewiel waren het voornaamste huisraad, niet gesproken van het vuurhaardje met toebehooren en het bedstrapje. Uit de kamer gaande kwam men in een gangetje onder het afloopende dak. Op het geveleinde daarvan was de lijkdeur en aan het andere eind liep men door een steenen boog of poortje in het karnhuis.

Het karnhuis had een buitendeur met zijlicht. Daar vlak tegenover was een uitbouwsel, de melkkamer, en achter het karnhuis lagen de schuur en de stal. Midden in de melkkamer was een houten vloer met pomp.

Bij dit boerderijtje hoorde, de stallen voor het jongvee en de melkplaats daar onder begrepen, een veertig pondemaat tand, alles greide, dat aan één langgerekte kavelstrook aan den meeroever grensde. Het droeg de naam van de Brekkepolle en was het eigendom van Murk Ynses, die het zelf bewoonde en die in de omgeving meer bekend was als de Brekkeboer en door velen ook wel Stille Murk werd genoemd. Murk Ynses was een kloek en arbeidzaam man, wat eigenzinnig en gesloten; als het op arbeiden aankwam, een werker zonder rust. Een man die om zijn strengheid niet aan iedereen beviel, maar die toch hoog stond aangeschreven bij wie hem van nabij had leeren kennen als iemand, waarop men torens kon bouwen.

De gewone menschen zagen hem met opmerkzame oogen aan als hij een enkele keer op Maandag op zijn stijfharige ruin op de Makkumer weekmarkt kwam en daar zijn paard in de Witte Zwaan stalde. Men mompelde hoe hij dat paard kunsten leerde, het kon het hek van het erf en de hekken op de reed van de Brekkepolle zelf open en dicht maken, werd er gezegd.

Al was Murk wat zwijgzaam van aard, zijn vrouw Fokel praatte heel gaarne. Zij was een lustige vrouw maar zij wist ook van aanpakken, in het werk was ze altijd en overal vooraan: ‘s morgens de eerste, 's avonds de laatste aan de slag. Zij had twee rechterhanden, waar haar het werk doorheen vloog. Murks Fokel stond dan ook bekend bij de lieden uit haar omgeving, zooals iemand het eens krachtig en kernachtig uitdrukte, als een kerel onder het juk en een weerlicht over de vlakte.

Die menschen nu hadden samen een kind, een zoon, Hidde, een aardige, guitige jongen met heldere oogen. En het mag gezegd worden, zij waren in die jaren recht gelukkig met hun drieën. Bij hun trouwen had Murk twee gouden rijders met een stift aan elkaar laten smeden. Dat was een teeken, een symbool van een trouwverbond dat trouw bewaard moest blijven. En toen de twee jongelui een zoon kregen, werd aan de twee een derde rijder vastgesmeed, zoodat die drie een klaverblad vormden. Dat was een oude gewoonte van hun stamhuis. Murks grootvader had zoo vijftien gouden rijders aan elkaar laten smeden. Bij hen bleef het evenwel een klaverblad van drieën. En dit klaverblad was hun een heilig pand. Als dit eenmaal de deur uitraakte, dan zou het waarlijk niet best wezen ; dan werd toch vast en zeker hun levensgeluk verjaagd. Zóó was het hun eens door een oude tante voorspeld. En Murk geloofde daar vast aan, zoo vast als een muur. Dat mensch kon immers in de toekomst zien; zij was met de helm geboren.

Hidde groeide voorspoedig op en er zat wel voortgang in de jongen. Hij had een overdreven lust in varen en zeilen op de Brekken en omdat hij bij oude meester Sjoerd Klopskine tamelijk vlug volleerd was en zijn ouders gewoonlijk, om zoo te zeggen, tot de ooren in het werk zaten, had hun zoontje wel wat een leven op zichzelf en voelde de jongen zich los en van alles vrij, zooals een wilde vogel op het ruime veld.

Op de hoogte van het Piamer hek, niet ver van de tille, stond destijds een klein dijkhuisje, met een oud hok op de wal langs de vaart. In dit huisje woonde een man, die niet al te best bekend stond. Het was een koud en ‘houten’ mannetje met van die steekoogjes. Men noemde hem Koude Kei. Hij hield zich bezig met vogelen en visschen en was een echte vriend van strandjutters.

Als de wind het zeewater wild bruisend het wad opstuwde, zoodat het tegen de dijk en tegen het paalwerk opspatte en als dikke duisternis land en strand bedekte, dan was Koude Kei altijd met de juttershaak op het pad. Met het onaangenaamste en onstuimigste weer was hij volkomen in zijn element en dan vooral kon hij soms zoo fijntjes grinneken in zich zelf.

Men fluisterde dat het in het dijkhuisje en met Kei niet recht pluis was. Dit maakte al dat menigeen een beetje op zijn hoede voor hem was. Zijn uiterlijk teekende hem wel wat schelmachtig, ook daarom vertrouwden de menschen hem niet recht. En vooral niet als ze hem met zijn gluiperige tronie eens hadden zien loeren, vol van duivelsche lust, als de lucht in het Noordwesten zoo grimmig stond en woedend noodweer voorspelde. Een smuigerd was 't, die Kei, zei men. Maar toch wist men het rechte niet van hem, dat werd zorgvuldig bemanteld, want Kei was een uitgeslapen ouwe rot. Uitgeslapen, nou, dat was hij, daar kon ieder maar ‘Duivel, ja!’ op zeggen. Toen het goud en zilverwerk uit de oude Roomsche kerk aan den zuidkant van de Wijde Steeg in Makkum in een donkeren nacht gestolen was, vond men het gedeeltelijk terug in het bekistingswerk aan den zeedijk, niet ver van het Piamer hek vandaan. Kei had daarvoor voor de burgemeester moeten verschijnen. En toen die hem op boozen toon vroeg of hij dan niets gemerkt had, zei hij, als een onwijze, langs zijn neus weg, dat mijnheer, als burgemeester, immers veel meer verstand had van zulke gemeene dingen dan hij. Hij was maar een eenvoudige visscher en de zee was zijn broodheer.

Als Hidde, zooals veeltijds, vrij rondzwierf, zocht hij wel vaak zijn heil en toevlucht bij Kei. Die nam hem dikwijls mee om bot te steken, om wier te zamelen, of om te doen wat tijd en gelegenheid anders meebrachten. Mee naar het groen om wormen te zoeken of een eind verder over het wad om een gans of een aalscholver te verschalken; dergelijke werkjes en avonturen waren voor de jongen een kolfje naar zijn hand.

Toen Murk, die met Kei al van jongs af aan slecht over weg kon, hier lont begon te ruiken, stak er dadelijk een onweer op. Hij gebood zijn zoon nooit of te nimmer weer bij Kei te komen, bij die nijdas, die boosdoener. Maar Kei of zijn bedrijf hadden naar 't leek invloed en overmacht op Hidde, die niet laten kon te doen wat zijn vader hem met strenge woorden had verboden, en wat hij vader en moeder, geheel oprecht, beloofd had, niet weer te zullen doen. Hierbij kwam, dat Hidde zoo langzamerhand in kennis was gekomen met verscheidene visschers en varensgezellen, die hem voor en na veel moois oplepelden van 't zeemansleven op een schip op de groote vaart, Gods vrije, ruime wereld in, die toch voor iedereen open lag. Daar hoorde hij dan naar als met zeven paar ooren.

Vader werd de mispassen van de jongen naar en met Kei al spoedig gewaar en voortaan moest Hidde in 't gareel, vlak bij huis blijven en flink aanpakken bij het boerewerk. Het baasje kreeg op die manier al spoedig het land. Daarbij was de knaap zóó gewend aan het vrije leven dat hij het op den duur op die doode Polle aan de Brekken heelemaal niet kon harden. Zijn leven thuis was een leven van altijd koekoek-eénzang; hij kon het niet meer verdragen. Zijn hart dreef hem naar avonturen, naar varen, naar zwalken, ver weg over de wijde zeeën, naar vreemde landen. Het was maar zoo: op zee, anders wou hij liefst niets. Op het zeemansleven had hij zijn zinnen gezet. Met vader, die hem metalle geweld bij het stille landwerk en achter de koeien wilde houden, kon hij daarom geen land bezeilen. Of vader al streng optrad en kommandeerde en moeder vleide en bad, de jongen wou maar niet toegeven en was in 't geheel niet te verzetten. Hij was even hoofdig als z'n vader zelf. Hij dwong om toestemming hem toch te laten gaan.

Hij zou met dollen kop

de wereld in, op 't ruime sop.

Thuis te blijven was geen lust.

Op een eiken boord te drijven,

rustloos daar zijn pad te schrijven

koos hij boven land van rust.

Altijd thuis is altijd veinzen, zoo zong Gijsbert Japiks, vroeger, en zoo voelde Hidde het ook in het dagelijksch bedrijf op de boerderij. Vader evenwel was niet te overreden, hij bleef onverzettelijk. Eenmaal voer hij boos uit: “Die jongen naar zee? Neen, daar kan niets van komen! Ik wil het niet! Neen! Het hoeft ook niet!”

Fokel liet zich op het laatst door haar kind overhalen en ried Murk aan, om des lieven vredes wille, maar toe te geven. En vader gaf per slot van rekening toe, maar met een boos gemoed. “Om jou, alleen om jou, Fokel,” zei hij, kort aangebonden. Bij het weggaan had hij ‘die jongen’ afgesnauwd en er scherp uitgesmeten: “Om mij hoef je hier dan ook in der eeuwigheid niet terug te komen.”

Moeder had toen al heel van streek, o zoo droevig geweend. En Hidde had tot bescheid gezegd: “Best vader.” Toen was hij met zijn zakje goed uit vaders oogen verdwenen. Hij kende wel den weg, in zijn eentje wel. Met een Oost-Indiëvaarder had hij spoedig daarop het vaderland verlaten.

Een paar dagen na het weggaan van Hidde bleek het dat het klaverblad van de drie rijders ook weg was. Fokel, die niet wist wat zij beter kon doen, had het haar jongen meegegeven tot een aandenken aan thuis. Het zou hem in nood misschien kunnen helpen of goeddoen, had zij gezegd. Hidde moest het bij zich houden. En om het afgeven van dat klaverblad had Murk zich ook zoo vreeselijk boos gemaakt. Hij dacht aan de voorspelling.

Na dien tijd was de fleur van de Brekkepolte totaal af. Het leven ging daar het oude, uitgesleten paadje, maar aan dat pad blonken geen mooie bloemen en klonken geen vroolijke zangen meer, zooals weleer.

Vier volle jaren, zomers en winters, sleepten als een eeuwigheid voorbij, maar van Hidde kwam taal noch teeken. Murk voelde zich na die tijd zeer ongelukkig en Fokel schreide zich bijwijlen van louter heimwee naar haar jongen de oogen uit. En met Murk, die toch om harentwille had toegegeven en die sedert die tijd zich geen woord daarover had laten ontvallen, was zij erg begaan. Zij kwijnde en teerde weg als sneeuw voor de zon van louter kommer en verdriet. Het leven was haar haast zwaarder dan het sterven.

Op een duistere morgen in de herfst was zij er op uit getrokken naar de meerwal om daar, zooals elke morgen, haar vaste troepje koeien te melken. Toen de dag al lang aan de grijze hemel verschenen was en een bank van mist over de omgeving gespreid lag, was ze nog niet met de melk thuis. Murk werd angstig en ongedurig en liep gejaagd het veld in om haar te zoeken. Hij vond de emmers en het melkjuk op een plaats aan de Brekken, maar Fokel was niet te bekennen. Daar, waar haar gereedschap lag, moest zij door de duisternis en de gladheid van den wal geraakt zijn, dat kon de man nog nasporen. Maar anders was er geen teeken. Stil en koud lag daar het meer, geen zuchtje rimpelde de vlakte, het wijde water was een beeld van rust waar de adem des doods was over gestreken. Die daar aan den waterkant zoo luid werd geroepen en zoo ijverig gezocht, die kwam nimmer terug.

Een week tevoren had Murk op een nacht in het gehuil van een hond en het schreeuwen van een uil Fokels naam hooren uitgieren en een poosje later, hoe vreeselijk, haar lijkstatie van de Brekkepolle zien gaan, de reed langs, door de velden naar de Skûzer-buren, naar het kleine kerkhof bij de oude toren. Toen was het in zijn geprangde hart zwarte nacht geworden, tot dat daar ver, heel in de verte een sterretje door de duisternis kwam blinken en het aanbrekende bleeke licht hem een engel voor de oogen tooverde, een engel in witte, gazen kleeding die hem toewenkte.

Zoo was zijn vrouw verscheiden, zoo onverwacht, hem toch nog vooraf aangekondigd door voorteekens en onheilspellende geluiden. En nadat hij zijn Fokel verloren had, was de Brekkeboer van aanzien een oud man geworden en nog stiller en teruggetrokkener dan hij al was. Daar was een zware tijd, een leven vol leed en strijd voor hem aangebroken. Hij stond als eertijds Job, geheel vereenzaamd, zonder toevlucht in de wereld. Geen mensch, waar hij in zijn verlatenheid en kommer steun vond. Ja, er was hem een kruis opgelegd, een zwaar kruis, dat voelde hij. Maar mocht hij zich daaronder laten ter neer drukken ? Neen, dat nimmer. Hij zou het op de schouders nemen en het manhaftig dragen, zijn heele eenzame levensweg, tot het einde.

De boer moest het nu zien te stellen met een meid-huishoudster. In het begin had hij telkens een ander. Er zijn minstens zooveel verkeerde als goede, was zijn ondervinding. Hij had al een paar maal binnen de tijd de huur moeten opzeggen.

Eindelijk kreeg hij er een uit het Heidenschap: Heete Pooi. Dat was een wat zonderling stuk mensch, maar overigens op haar plaats en ze beviel goed. Ze had al eens een hoefijzer verloren, doch dat daargelaten, zij was een hulp die Murk aanstond, omdat zij het werk kon vinden en dat woog zwaar bij den man.

Pooi had in het begin wel wat moeite gedaan en het er op aangelegd om den boer in te palmen, maar toen zij al tamelijk gauw merkte dat haar verleidingskunsten niet baatten en dat Murk in het minst niet taalde naar een vrouw, toen had zij er verder ook niet over gezeurd en getreurd. “Dan maar een andere broek,” zei ze tegen zichzelf. In zulke zaken nam ze het niet zoo erg nauw, dat lag niet in haar aard. Zij kreeg inderdaad mettertijd wat anders aan de hand. Koude Kei zocht toenadering tot haar en Pooi was daarmee in de wolken. Hij bezocht haar eerst om de derde week, maar na verloop van tijd kwam hij al eens op een binnenbeurtje. Het leek wel vaste verkeering te worden met die twee. Murk mopperde wel eens over die vaste omgang, hij had liever dat Kei niet over zijn drempel kwam, maar over teere liefdeszaken durfde hij eigenlijk niet met zijn huishoudster te praten.

Pooi was het ernst met Kei, maar Kei hield niet veel van Pooi. Met zijn zoete praatjes en verliefde buien, at naar het uitkwam, had hij het meisje totaal in zijn macht.

Kei had een slim plannetje uitgebroed. Daarbij moest Pooi hem helpen, zoo had hij het bij zichzelf overlegd. Hij wou, als 't mogelijk was, zich meester maken van het geld van de Brekkeboer. Later zou men dan over trouwen kunnen denken, zoo spiegelde hij het Pooi voor oogen. Ja, een man hebben, dat zou ze heel graag en als 't daar aan lag ? .... Nou, natuurlijk! Daarom had Pooi, die malle, verliefde meid, dan maar aan de wensen van Kei voldaan en ook in uitstel van trouwen toegestemd.

Op een nacht, een winderige, regenachtige nacht, liet Pooi stilletjes Kei binnen door de deur van het achterhuis. Hij had zijn gezicht zwart gemaakt en was, het zekere voor het onzekere, gewapend met instrumenten, die bij inbraak en diefstal en andere misdaden van pas zijn. De uitvoering van het schelmstuk werd vooraf goed besproken en overlegd. Als 't eenigszins mogelijk was, zou alles in stilte worden beredderd. De ‘aap’ zat in het oude kabinet en Pooi had daarvan de sleutel.

De wilde wind ruischte en suisde om huis en hof. De koude regen sloeg bijwijlen fel tegen de ruiten.

En daar op den drempel, zie toch, daar stond in dreigende houding het .... Witte Wijf!
De windwijzer op de schoorsteen van het binnenhuis knarste en piepte; het bulderde in de schoorsteen. 't Was van dat echte spokerige moordenaarsweer. Den vorigen nacht had in de stal een koe gekalfd. De boer sliep nu vast en merkte niets. Kei vond in de oude kast, achter het linnen, vier volle geldzakken; die nam hij mee. Alles slaagde wonderbaarlijk goed en 't liep alles als een lier. Maar toen Kei, op zijn teenen loopende, weer in het karnhuis kwam, hoor daar komt ineens een wonderbaarlijk en allervreemdst gedruisch en gesuis door het huis. Het begon in het melkhuis. Het was als het gieren en huilen van de harde wind en daarbij een geklets en gespat alsof er met water gespoten werd. De kelderdeur kraakte en vloog met één flap uit klink en hengsels. Een geweldige waterstraal gulpte, met een kracht als van een fontein, uit een gat naast de pomp, omhoog, en 't leek of er sprankels vuur tusschen vlogen. En daar, op de drempel, zie toch, daar stond in dreigende houding .... het Witte Wijf.

Pooi, die zoo lang op wacht had gestaan, stootte een rauwe, schrille kreet uit en viel in zwijm. Met een ruk vloog de buitendeur open, de karnton begon te werken, schotels keilden over de vloer, toen een harde, dreunende slag en daarna was alles plotseling stil, duister en weg. De boer was door het spektakel uit de slaap wakker geschrikt en kwam verbouwereerd met de tuitlamp in het karnhuis. Daar vond hij Pooi bewusteloos op de vloer liggen. Kei was weg en het geld ook. Alle deuren stonden wagenwijd open, de nachtwind suizelde door het huis en in de melkkamer droop en dreef alles van zout water. Buiten was de bui overgedreven en door de kruinen van de esschen, aan de zijde van de schuur streek een windje. Enkele laatste groote druppels vielen van een twijg en kletterden op het boenhout, en daarginder, aan de oprijlaan sloeg de hond van buurman aan en begon vreeselijk te janken en te huilen.

Toen de andere morgen de karnton niet wou gaan, werden de geldzakken van de boer gevonden onder het blok van de kampols in de karnton. Na die nacht durfde Pooi niet op de oude boerderij te blijven, zij had daar een spook gezien. En ach! ze had het zoo benauwd, kermde ze. Ze kon niet bidden en kon er niet meer van slapen en uit de kelder kwam “O zoo’n raar wit wijf, o, een spook niet om aan te zien.” Zoo klaagde ze aan één stuk door als men haar polste of uithooren wou.

En Kei, die schelm, liep later zijn leven lang met een kreupel been. Hij had daar onverwacht een klap van een kwaadaardige merrie tegen gehad, zoo legde hij uit. En dan volgde vaak de aanvullende verklaring: “Ja zie je, zoo’n mep jeukt niet. 't Was op een donkere avond aan het Piamerpad over de Skûster-velden.”

Wat hier nu precies van waar is. Kei heeft na die tijd nimmer meer het buis of hof van Stille Murk betreden. De Brekkeboer stond immers, hij wist dat zeker, onder de hoede van het Witte Wijf en met dat duivelsche spookwijf was het oppassen. Na zijn wonderlijk nachtelijk avontuur op de Brekkepolle stelde Kei geen belang meer in Pooi. De sloof kon het sedert nergens recht vinden. Het was of ze een slag met de meelzak had gehad. Al haar verdere levensdagen heeft ze, als half gare Pooi van 't Heidenschap zoo rond geloopen en als armlastige geleefd.

Ettelijke jaren waren, het een na het andere, voorbijgegaan. Hoe vaak en hoe hartgrondig had Murk in al die lange jaren zijn zoon weer thuis gewenscht. Als hij hem nog slechts eenmaal zien mocht. Geheele dagen bad hij voor het behoud van Hidde. Dat hij toch veilig en wel weer aan land zou komen uit de dreiging van golven, blinde klippen, hagel en stormvlagen. Vaak had hij de wanhoop in zijn hart en vreesde dat de jongen nooit terug zou komen. Met groot leed en spijt dacht hij dan aan het uur van afscheid, toen zijn mond die ondoordachte woorden had gesproken “dat de jongen niet terug behoefde te komen, nooit meer!”

En toch had hij dat niet zoo gemeend, o neen! Heelemaal niet. Ach, hij had vóór die tijd niet anders gedacht of Hidde zou eenmaal boer worden op hun boerderij, wanneer hem en Fokel de beste jaren waren ontglipt. Dan hadden zij tezamen stil kunnen leven in een aardig huisje op het erf, of bij de buren. En Hidde? Hidde met zijn vrouw natuurlijk zouden de boerderij drijven, voordeelig in alle opzichten.

Toen waren er knuppels gesmeten in het glazen huis van zijn hartgrondigste wenschen. Dat kopstuk van een jongen had absoluut niet willen luisteren naar de raad van zijn ouders; hij had zijn zin doorgedreven. Dat had de vader zeer geërgerd. Dat had hem dat oogenblik heftig gemaakt, kort aangebonden en onbillijk streng. Zoo was Hidde van huis gegaan, vertrokken, te overhaast en in onvrede. Weg, weg! Al zoo vele jaren lang. Nooit, nimmer tijding. Weg! Waarschijnlijk weg voor altijd, zoo was zijn verzuchting. En hij dacht en stelde zich de vraag: “Wat heeft ons al ons harde werken en zuinigheid gegeven. Zou het misschien verkeerd wezen het eerste en het meeste te letten op aardsche goederen?”

Hoe gelukkig, dacht hij bij tijden, is mijn beste Fokel, die hier zoo haastig werd weggeroepen. Waarom moest hij, Murk, hier langer zoo alleen in onzekerheid voorttobben en verkommeren? Op die vraag kon hij geen ander antwoord vinden dan: “Zou ik werkelijk moeten wachten tot Hidde terugkomt? Om het weer goed te maken?” Hij hoopte het zoo innig! Maar Hidde dan?

Weer was het in de late nazomer, 't was herfst geworden. Op de omgang van de Makkumertoren had iemand bij halfschemer een lichtschijnsel gezien, terwijl er aan het zeepaard, dat boven op de toren de wind aanwijst, verwoed en heftig gerukt werd. De onweersvogels en meeuwen krijschten over het strand of zochten beschutting op het land en de doortrekkende wulpen huilden droevig in de donkere avond. Dat waren voege voorteekens. Nu zou er zeker een geduchte storm op handen zijn. Het weer was al een poosje regenachtig en onstuimig geweest. Daar kwamen bij vloed buitengewone massa's water in zee en de zeehonden aan de buitenkant van het wad huilden vaak angstig tegen de steigerende golven.

Op een middag begon het, met de wind uit het Noordwesten, buitengewoon hard te waaien. Tegen de avond wakkerde de wind nog aan en draaide een weinig door het Westen. Het duurde niet lang of er stond een halve orkaan. De woeste buien joegen achter elkander aan, de golven steigerden en in zware deiningen rolden de zeeën landwaarts. De woedende vlagen geeselden bijwijlen het wilde water, zoodat de vlekken schuim her en der stoven. De wind raasde maar voort en huilde en gierde; de zee bruiste als een reusachtige kokende massa. Formidabele watermassa's, met schuim bedekt, ploften en tuimelden tegen de dijk; met groote gulpen sloeg en spoelde het zoute water er over heen. Het paalwerk kreunde en steunde; het leek of de aarde in groote nood lag. Het scheen of alles zou buigen en barsten in de ontdane natuur. Ongenadig teisterden de verwoede elementen het belaagde land, zonder rust. Als zou de aarde vergaan, zoo daverde het door 't hemelruim.

Bij zulk schrikkelijk noodweer is het of alles wat leeft, zich bedreigd voelt. Of het laatste uur is gekomen. Het drukt de mensch terneer, de adem wordt moeilijk. Het wijze menschenkind voelt zich bedreigd en bang, verwezen staat hij, hij vouwt de handen bij de aanblik van het geweldig woelen en woeden van wind en water, die het hechtste werk verwrikken, hoogten neersmakken en diepten opheffen; en die met onmeetbare krachten haast alles omver jagen en door elkaar smijten, als was al het losse en vaste der aarde niet anders dan de spanen doosjes van kinderspeelgoed.

In de ure van zulk een beroering, of de regeerder van hemel en aarde sprak, komen de menschen op de dijk en aan de sluis, in vrome verwondering. Om te kijken naar het geweld, om te luisteren naar de stem van de natuur. De losgebroken natuur in haar onweerstaanbare oerkracht, die drijft de menschen tot het aanschouwen van haar geweld en grijpt hen in haar machtige greep om eigen klein bestaan te doen beseffen. Dat stemt de mensch wijdingsvol, het wekt de eerbied en een gevoel van diepe nederigheid. Dan ontgloeit in hem het sprankje van het hoogste liefdelicht, dat zoo dikwijls koud en verglommen begraven ligt, diep in zijn hart; het leeft op tot een wonder schijnsel, om voor hem een lamp te zijn voor zijn voet op de weg omhoog naar de troon van de Albehoeder.

Hiertoe brengt het noodweer. De preek van de natuur sticht. Die beroert de innerlijke mensch en voert zijn denken en voelen ver boven het alledaagsche, dat gewoonlijk van het edele en verhevene geen weet, laat staan hinder heeft.

Toen de storm zoo geweldig bulderde, kon Stille Murk het in en om zijn bouwvallige woning in 't geheel niet harden. Daar werd het hem te benauwd en het was of het wilde weer hem dreef naar de zeekant; aan die drang kon hij niet ontkomen. In zulke tijden hoopte de boer het allersterkst op de terugkomst van zijn jongen. Dan verlangde dat oude vaderhart zoozeer naar zijn zoon en het lag hem bij dat de wilde zee hem eenmaal ‘zijn jongen’ weer in zijn armen, aan zijn hart zou voeren.

Het booze weer trok hem daarom aan. Daar lag voor hem een belofte in. Men wist: de Brekkeboer deed wel eens vreemd. Hij sprak soms in ernst, zooals zoo velen soms lichtvaardig ‘van een mooie storm’.

Een kof, die uit Noorwegen kwam, door het Vlie, met 'n lading hout voor Harlingen, raakte onklaar aan het roer. Het anker werd uitgeworpen, maar het hield niet en toen het eindelijk pakte, knapte met een scheurwind, de ketting in tweeën. Nu was het hechte kofschip overmeesterd en met man en muis overgeleverd aan de genade van het ruwe weer. De harde wind en de deinende zee speelden er mee als een kind met zijn bal. Het touwwerk knapte en de masten tuimelden in de steigerende golven. Al onder duikende en weer omhoog slingerende, zonder rust en zonder eind dreef het schip mee met wind en weer, voorbij Harlingen, en op de avond van die stormachtige dag sloeg het met een hooge zee uit de vaargeul op het harde zand van het Makkumer wad. En wind en zee raasden maar voort en sloegen het schip zoo lang tot het geen schip meer was. De kof brak en spleet aan stukken en het scheepsvolk dreef weg en verder met balken, planken en ander tuig. Slechts een paar kwamen behouden aan wal, de anderen werden een prooi van het kokende, woelende water. “Zij werden,” zooals een van de oude zeebonken het ons plastisch uitbeeldde: “Zij werden begraven in de alverslindende buik van de zoo verbolgen zee.”

Als een woeste zegezang, als het lied van verderf en van dood, zoo was nu deze avond het bulderen en dreunen van storm en golven. Zulk een grootmachtig bedrijf toont den mensch de schaduwzijden en vaak de verschrikking van de losgelaten natuurkrachten. Luid gillend, niet te temmen, spelen zij de baas. Zulke oogenblikken wenkt het gevaar, het ongeluk en is de dood nabij.

In die stormachtige avond stond de oude Brekkeboer ook op de zeedijk en staarde over de wild bewogen zee. De harde wind joeg door zijn grijze haren, de natte damp sloeg hem in het gelaat en zijn kleeren dropen van het opstuivende water. De heftigheid van het weer bracht zijn kalm gemoed in beroering. De vale dag was intusschen vergleden. Murk haalde diep adem, zijn zware zuchten vervlogen met de wind. Waar onze Hidde nu wel mocht zwalken? Zou hij dan nimmer terugkomen Nimmer meer?

Kijk, daar speelde een lichtflits. Toen zag Murk, voor het eerst van zijn leven, het zoogenaamde witte wijf. Vlak voor hem, boven op de dijkpalen stond ze. En het witte wijf wenkte hem, zooals de engel, de witte engel van vroeger dagen, en hij volgde die wenk zonder dat hij het zelf wist, zonder dat hij er bij dacht. Hij volgde haar over bekisting en palen en langs een van de hoofden, tot het middel bijna in het water. Daar rolde een hooge zee recht op hem toe. Het lichtte weer. Verdwenen was ze, het Witte Wijf ....

De schuimende golf voor hem droeg een zware balk op zijn kruin en om die balk was een arm geklemd. Datalles zag hij op hetzelfde oogenblik. Toen werd het opeens duistere nacht en de deinende zee dreigde de oude boer op te nemen van het havenhoofd. Maar de boer dacht op dit oogenblik niet aan gevaar. Weer een kokende golf die fel aan kwam bruisen; en die sproeide, o wonder, lichtsprankels, als 't St. EImusvuur. En vlak naast Murk, duidelijk te onderscheiden, duikt de balk weer op met de arm er omheengeslagen. Murk pakt toe, hij vat de arm, die nu het hout laat glippen. Hij vermoedt niet, wie hij zoo vast omklemd houdt, zelfs weet hij niet of het een levende is of een doode.

Zoo gauw en zoo goed als hij kan, brengt hij de man over de palen aan land en legt hem neer, op een luw plekje van de Zeedijk. Dan maakt hij de kleeding van de drenkeling los en ontbloot zijn borst. Daar tast hij op iets hards . een geldstuk .... hij huivert. Wonderlijk wordt het hem te moede. Aan een band hangt het, om de hals. Hij neemt het in zijn hand, hij bevoelt het. Koude rillingen loopen hem over de rug. Ja zeker! Het zijn de drie munten aan elkaar .... Dat is, dat is .... haar gouden klaverblad. Hij weet het zeker, de drenkeling moet zijn Hidde zijn, zijn zoon Hidde, die in der eeuwigheid niet weer thuis hoefde te komen.

De oude man zijgt op z'n knieën naast zijn zoon. Een kreet van felle pijn stoot hij uit. “O Hidde, mijn beste jongen, moet ik ook jou verliezen in het water, jou, evenals je moeder?” Dan, wat moediger: “O neen, jij moet leven, toe, leven, met mij nog, Hidde! Hidde! O Heer, help ons!” Die noodkreet uit het vaderhart, die vurige bede om hulp van hooger macht, voerde de storm omhoog tot boven het jagende zwerk.

Weer flikkert een licht! Voor de derde maal. Als een waarschuwing. Nu richt zich de vader heftig bewogen op, neemt zijn zoon in zijn sterke armen en draagt hem met vaardige pas naar huis, naar de Polle bij de Brekken. En de zee steigerde en de storm bulderde maar voort. Daar, in het ouderhuis, in vaders armen, keerde Hidde in het leven terug, kort nadat Murk hem in angst en zorgen naar huis gedragen had. Zijn Hidde met het gouden klaverblad, dat moeder in zorgen hem had toegestopt, jaren geleden, toen hij weg toog de wereld in, naar verre en vreemde stranden.

Het Witte Wijf heeft hem uit de zee aan zijn vader teruggebracht en weer gegeven nu de tijd daarvoor rijp was. Zoo was het voorbeschikt, zei de Brekkeboer.

Het weerzien en wedervinden van vader en zoon gaf zoete blijdschap en dankbare harten. Alle leed en last was nu vergeven en vergeten. Een glimp van het oude geluk was teruggevonden. Ruim vierentwintig jaar was het geleden sinds Hidde tegen vaders zin zijn huis verliet. Hij had het op de groote vaart gebracht tot stuurman. Eenmaal slechts had hij in al die tijd in het vaderland voet aan wal gezet. Toen was hij in Harlingen geweest en daar had hij gehoord, dat zijn moeder de vorige herfst gestorven was. Later had hij op alle wereldzeeën rondgezworven, al de warme en koude gewesten bezocht met het vaste doel en voornemen, nimmer in Friesland terug te komen.

Maar eindelijk was het verlangen naar het oude land en de stille dreven naar het vaderhuis bij de blanke Brekken hem te machtig geworden. Toen had hij een reis aanvaard, die hem naar Harlingen zou voeren. Zoo kwam het dat hij op de kof voer, die deze avond op het Wad gebleven was.

Toen het schip brak en uit elkaar sloeg, waren hij en de oude kapitein de laatsten geweest op het wrak. “Berg je en alles wat je lief is,” had de ouwe gezegd. Hidde had niet lang in beraad gestaan, gauw het kistje gegrepen, het gesloten kistje, waarin zijn bezittingen geborgen waren, waarin zijn spaarpot met goud en zilver was en dit haastig met een riem door het handvat om zijn middel vastgegespt. Het was immers al zijn hebben en houden, de zuur verdiende en opgespaarde penningen voor de oude dag, gespaard in vele jaren van harde arbeid.

Op een paar dekbalken was hij meegedreven op het woelende water, zijn lot tegemoet maar met een vrome bede in zijn hart. Onderweg was hij zijn kistje kwijt geraakt. Omringd van gevaren, onder en boven water, was het ouderhuis voor hem opgerezen. Toen had hij geroepen: “Moeder, Vader!” en verder .... verder wist hij niets. De kapitein kwam om. Hoe de stuurman, wonder boven wonder, aan wal was gekomen, is nu bekend.

et samenleven van vader en zoon, in vrede en geluk, werd beiden tot zegen. Beiden, gelouterd door de tegenspoed van het leven, verstonden nu elkaar. Een heerlijke toekomst lachte ben nu toe. De boer verliet de boerderij, de stuurman ging niet meer naar zee. In het huis op de Streek, te Makkum, hebben zij na die tijd een heele reeks van jaren recht gelukkig geleefd. Hun leven lang dankten en vereerden zij het Witte Wijf, allebei, uit de grond van hun hart. Haar verschijning in de storm was zeker een vingerwijzing geweest van hooger hand.

En nu het slot van de geschiedenis. Toen de storm een weinig bedaarde, was Koude Kei, natuurlijk — hij deed het ouder gewoonte — weer met zijn eeuwige prikstok onder de arm, op buit uitgegaan. Nagenoeg de heele nacht spookte hij rond, langs de dijkpalen en op de hoofden; en de volgende dag alweer.

Op de plaats, waar Hidde aan land was gespoeld, vond Kei in de namiddag, toen het water zakte, een tamelijk zwaar geldkistje, met sierlijke krulletters op het deksel. Hij bracht het onopgemerkt naar het onderste einde van het hoofd en verstopte het onder de dikke steenen, met het doel om het daar als de gelegenheid gunstig was, weer weg te halen als buit voor zichzelf. Een dag of wat later, in de late avond sloop hij, de eenzame zwalker, weer over het paalwerk en strompelde, door niemand opgemerkt, het hoofd op. De grijze, betrokken lucht stemde weemoedig. De nachtwind fluisterde geheimzinnig, het getij liep af en onrustig woelde en deinde de grauwe, sombere zee.

En vreemd! Het bekende oude hoofd was voor een deel, juist waar Kei het kistje had verstopt, weggeslagen en verzonken en de buit, de kostbare buit, was weg. Waar de schat gelegen had, onder de dikke keien, was nu een diepe kolk. En in die kolk, door die hekdeur, is Koude Kei, de manke strandjutter .... weggezonken, voor eeuwig! Hij vond zijn einde, toen hij, zooals vroeger naar de geldzakken van Murk, nu zijn rooverklauwen uitstak naar het kistje van Hidde. Zijn strandjuttershaak dreef de andere dag tegen de buitenbekisting van het paalwerk.

Waar het geldkistje terecht mag gekomen zijn, dat weet men niet; de krabben en de mosselen zwijgen daarvan. Maar de overlevering zegt dat het nog op het Wad ergens in een oude waterloop, diep onder het slijk bedolven, ligt. Het Witte Wijf houdt daar trouw de wacht over.

Het zal evenwel gevonden worden als eenmaal de Zuiderzee is drooggelegd en het Wad weer groene weidegrond is en als er een uit het geslacht van Hidde Murk, de stuurman, die het zeewijf weer terecht bracht, thuis bij zijn vader, daar behoefte aan mocht hebben. Een vlijtige hand zal het opdelven, daarna zal de schat vruchten afwerpen, menigvoud en het Witte Wijf zal daarna de rust ingaan.

Zoo is het oude verhaal van het Witte Wijf. Als nu eens iemand mocht komen ter hoogte van de Skûstertille en daar aan de zeedijk een wit schijnsel zou opmerken, wel, dan weet hij er alles van. En als hij het Witte Wijf van het Wad of het zeewijf van de Zuiderdijk wil ontmoeten, moet hij komen als het stormt en bij avond. Maar hij moet zijn plannen niet te lang uitstellen, want ja, dan zou de Zuiderzee eens droog kunnen zijn en het Wad land.